Category Archives: Vragen van lezers

Wanneer zal de bruiloft van het Lam gebeuren

Reacties op in ons gedrukt tijdschrift verschenen artikelen:

Wanneer zal de bruiloft van het Lam gebeuren

Vraag: Ik hoor verschillende meningen over de bruiloft van het Lam. Waar en wanneer zal dat gebeuren, en wie zullen daar bij zijn?
Kunnen jullie mij wat Bijbelteksten geven die daar duidelijk over zijn?

Antwoord: De uitdrukking ‘de bruiloft van het Lam’ is afkomstig uit het Bijbelboek Openbaring: Openb. 19:6-10, meer speciaal vs 6b-8.

“6 Toen hoorde ik een geluid als van een grote menigte en als het gedruis van vele wateren en als het dreunen van zware donderslagen, en zij riepen: Alleluja! De Heer, onze God, de Albeheerser heeft zijn koningschap aanvaard. 7 Laat ons blij zijn en juichen en Hem de eer geven: de tijd is gekomen voor de bruiloft van het Lam en zijn bruid heeft zich al klaargemaakt.’ 8 (Voor haar bruidskleed kreeg ze smetteloos, blinkend lijnwaad; zinnebeeld van de goede daden van de heiligen.) 9 En de engel zei tot mij: ‘Schrijf op: zalig zijn die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam’. En hij voegde eraan toe: ‘Dit zijn de eigen woorden van God.’ 10 Toen viel ik voor zijn voeten neer om hem te aanbidden, maar hij zei: ‘Dat nooit! Aanbid God alleen. Ik ben slechts een dienstknecht zoals gij en uw broeders die het getuigenis van Jezus bezitten.’ Het getuigenis van Jezus immers is het dat de profeten bezielt.” (Opb 19:6-10 WV78)

Wanneer: Openbaring is een moeilijk boek, waar veel opvattingen over worden verkondigd. Maar eraan vooraf gaan de hoofdstukken 17-18, die spreken over een macht die oorlog voert tegen de heiligen (in het NT een aanduiding van de ware gelovigen, zie bijv. Rom. 1:7, en andere brieven van Paulus), en die wordt aangeduid met de naam ‘Het grote Babylon’. Die macht wordt in hoofd-stuk 18 geoordeeld (veroordeeld). In 18:24 wordt van haar gezegd:

… en in haar werd gevonden het bloed van profeten en heiligen en van allen,die geslacht zijn op de aarde.

Dit spreekt over vervolging van de gelovigen. In 19:1-4 worden dan over dat oordeel lofprijzingen geuit:

Hierna hoorde ik als een luide stem ener grote schare in de hemel zeggen: Halleluja! Het heil en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God, want waarachtig en rechtvaardig zijn Zijn oordelen, want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde met haar hoererij verdierf, en Hij heeft het bloed zijner knechten van haar hand geëist. En zij zeiden ten tweeden male: Halleluja! En haar rook stijgt op tot in alle eeuwigheden. En de vierentwintig oudsten en de vier dieren wierpen zich neder en aanbaden God, die op de troon gezeten is, en zij zeiden: Amen, halleluja!

De passage herinnert ons aan Jesaja. Daarin wordt ook gesproken over de ondergang van Babel, dat Gods volk in ballingschap had gevoerd, maar dat daarvoor door God geoordeeld werd. De ondergang van dat Babel betekende de bevrijding van Gods volk (in dat deel van Jesaja veelvuldig aangeduid als ‘Gods knechten’), maar staat bij Jesaja ook als een symbool van de bevrijding uit die andere gevangenschap: die van de zonde en de dood.

Zonder verderop alle details in te willen gaan, wil ik hier stellen dat dit verwijst naar de tijd van de opstanding (die plaats zal vinden bij Jezus’ wederkomst) wanneer de ‘wereld’ die door de eeuwen heen de ware gelovigen heeft verdrukt en vervolgd daarvoor geoordeeld zal worden, maar wanneer ook de dood van zijn kracht zal worden beroofd.

Hoererij staat voor valse leer (het beeld komt vooral uit Ezech. 23) en uit Openb. 17 & 18 blijkt dat de ‘afgoderij’ van de wereld vooral bestaat uit het dienen van de Mammon: de lust van het geld. De voor altijd opstijgende rook is een beeld dat uit Jes. 34 stamt, en heeft betrekking op het oordeel over Gods vijanden en de vijanden van Zijn volk. Maar laat u niet misleiden door de kop ‘gericht over Edom’. Het is duidelijk dat het gaat over een vernietiging die plaats heeft in het land Edom, maar die alle volken betreft (zie vs 1-2).

In Openb. 19, vanaf vs 11 zien we een beschrijving van een triomferende Messias (Christus) die vonnis velt en oorlog voert tegen de onrechtvaardigen. En in Openb. 20 lezen we over het begin van Gods Koninkrijk (daar aangeduid als een heerschappij van 1000 jaar) en over de eerste opstanding. Dat stemt overeen met wat ik boven al aangaf.

Conclusie 1: Het heeft betrekking op de tijd van Jezus’ wederkomst, wanneer hij oordeel velt en Zijn (Gods) Koninkrijk vestigt. Wij verwachten dit nu betrekkelijk snel.

Wie We lezen in 19:7b-8:

… de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen. Zijn bruid mag zich kleden met ‘smetteloos fijn linnen’ en dit zijn ‘de rechtvaardige daden der heiligen’.

Dat laat maar één conclusie toe: de bruid bestaat uit de gerechtvaardigde heiligen (= gelovigen).

Overigens meen ik dat de vertaling beter zou luiden als in de Statenvertaling:

‘de rechtvaardigmakingen der heiligen’.

De uitdrukking wijst terug naar zulke passages als:

Die de bruid heeft, is de bruidegom (Joh. 3:29, Joh. de Doper over Jezus) Want ik heb u verbonden aan één man, om u als een reine maagd voor Christus te stellen (2 Kor. 11:2, Paulus aan de gelovigen te Korinte)

Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus zijn gemeente heeft lief gehad en Zich voor haar overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord, en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zo dat zij heilig is en onbesmet.(Efez. 5:25-27, Paulus aan de gelovigen te Efeze)

Dit wordt herhaald in Openb. 21:2 en 9, Openb. 22:17. En de gedachte vinden we al in het OT met betrekking tot het gehele volk in bijv. Jer. 2:2, Ezech.16:8 en 23:4; alleen ligt daar de nadruk op hun huwelijksontrouw.

Conclusie 2: De ‘bruid’ is een aanduiding van de gemeente, d.w.z. de gezamenlijke gelovigen, levend ten tijde van Jezus’ wederkomst of in de periode daaraan voorafgaand (uiteraard voor zover zij bij het oordeel worden aangenomen).

Waar De ‘bruiloft’ is uiteraard een beschrijving van de aanname van de gemeente door Christus. Of dat plaats zal vinden op een bepaalde plek op aarde wordt ons in de Bijbel niet verteld, laat staan wáár die plek zich dan zou bevinden. Het gaat om het feit, niet om de locatie. Wel weten we dat de heiligen na Jezus’ wederkomst met hem zullen regeren in zijn Koninkrijk (Openb. 20:6), en we weten dat dit Koninkrijk wereldwijd zal zijn. Dus hun taken zullen zich uiteindelijk overal op aarde bevinden.

“ Zalig en heilig die deel hebben aan de eerste opstanding! Over hen heeft de tweede dood geen macht. Zij zullen priesters zijn van God en Christus, en met Hem als koningen heersen, duizend jaren lang.” (Opb 20:6 WV78)

RCR

 

+

Vindt ook te lezen:

  1. Wereld waarheen? #5 De Val van Babel
  2. De Knecht des Heren #5 De Gezalfde gezant
  3. Christus in Profetie #3 De Knecht in Jesaja (3) Gezalfde
  4. Christus in Profetie #5 De Knecht in Jesaja (5) Verhoging van de Knecht
  5. Verlossing #4 Het Paaslam
  6. De Wederkomst en de eindtijd #2 Blik op de nabije toekomst
  7. De Wederkomst en de eindtijd #4 De komende toorn

Leave a comment

Filed under Geestelijke aangelegenheden, Nederlandse teksten - Dutch writings, Religieuze aangelegenheden, Vragen van lezers

Oplossingen gezocht voor Joodse dienstvoorziening

Niet Joodse gelovigen hebben niet bepaald een probleem met het volgen van diensten op het internet. Voor vele Joodse gelovigen vormen diensten op het internet volgen wel een probleem. Daarom deze oproep

Hebt u een oplossing voor onze Joodse leden?

Hebt u misschien een antwoord op deze vraag?

Hoe kunnen Joodse gelovigen toch samen dienst beleven?

Zodra de duisternis valt op vrijdagavond lijkt in vele huishoudens van de Jeshuaistische en Joodse gelovigen ook een zekere vorm van duisternis te vallen. Zich aan de voorschriften houden zoals voorgebracht in de Sjemot/Exodus 35:3 en algemene traditionele regels, wordt er afgezien van enig werk en worden er ook geen lichtknoppen of elektrische toestellen bediend.
Dat maakt dat de Sabbatsviering volgen op het internet onmogelijk is daar het enkele taken verreist die door sommigen als “werk” worden aanzien. Meer nog opvallend is het ook dat er toch nog vele gezinnen zijn waar er geen televisietoestellen of computers in gebruik zijn. Voor anderen mag dat helemaal buiten de wereld zijn, maar dit is wel een realiteit waar wij rekening mee moeten houden.

Vraag is of wij nu ook niet weer in een tijd zijn waar wij uitzonderlijke maatregelen moeten inroepen, zoals onze voorouders deze gekend hebben in bepaalde tijden, toen zij ook niet naar hun tempel of synagoge konden gaan.

In enkele artikelen proberen wij daar aandacht aan te schenken nu wij naar 9 Av gaan en het verlies van 2 tempels gaan herdenken.

Wij zijn er van bewust dat elkeen van ons wel op zijn of haar eigen plekje kan bidden en een ingetogen gesprek kan aangaan met de Allerhoogste. Maar het samen komen of samen gemeenschap vormen is er met de coronacrisis niet bij en eist speciale voorwaarden of veiligheidsmaatregelen.

Wie weet kan er van uit een andere hoek een kijk worden gegeven die voor onze gemeenschap oplossingen kan aanbieden, zodat wij toch dat eenheidsgevoelen kunnen bewaren en ons niet schuldig moeten voelen van geen sjabbes te vieren in gemeenschap.

Door de corona-maatregelen van de overheid zijn we gedwongen geworden om niet enkel na te denken over onze omgang in het openbaar, maar ook om na te denken over wat wezenlijk is voor verwezenlijken van onze geloofsplicht.

Nu dat wij niet meer mogen samen komen in de tempel of synagoge, moeten wij andere mogelijkheden zoeken om toch als gemeenschap onze verbondenheid te voelen en iedereen de kans te geven om dat gevoel van verbondenheid te ondergaan in en met waardig gebed.

Vandaag lijkt het wel dat wij ons ernstig moeten gaan bezinnen over iets wat voor decennia oh zo gewoon leek, maar uiteindelijk toch niet zo evident lijkt te zijn. Wij zien namelijk dat bepaalde gemeenschappen zodanig zijn vastgeroest in bepaalde tradities dat de lockdown hen bij wijze helemaal omver heeft geblazen. Alles wat zo normaal leek, drie maal per dag naar de synagoge gaan o.m. is nu helemaal uit den boze, enz.

Het lijkt wel of onze gemeenschap plotseling wordt wakker geschud.  De meesten van ons leven in een gesloten gemeenschap ver weg van de buiten wereld. Wij zijn gewoon in onze eigen cocon te verblijven. Geen wonder, bij het regelmatig gevaar dat ons lijkt te omringen. De meesten van ons zijn trouwens heel bang om zich in het openbaar kenbaar te maken. Terwijl anderen zich juist nu nog meer naar buiten durfden profileren en niet bang waren om op hun terras of balkon hun liederen over de stad durfden laten klinken. (Wat dan weer de politie er deed op afkomen.)

Velen in onze gemeenschap hebben zulk een vaste gewoonten dat zij nu met het breken er van wat in de war zijn gestuurd. Ontheemd voelen zij zich wat verloren en zoeken oplossingen om toch het gevoel te hebben dat zij God toch nog waardig kunnen dienen. Ook heerst er een angst dat het coronavirus heel wat mensen weg zal brengen van de godsdienstbeleving, daar ze nu lekker alleen thuis kunnen blijven zonder verder veel taken te moeten opnemen. Anderen vinden dan weer dat er nu weer een middel is om de mens slaaf te maken van de wereldse gebondenheid.

Voor ons is het samenkomen van de gemeente onderdeel van ons leven waarbij wij onze verbondenheid met onze broeders en zusters bezegelen en onze dankbaarheid betuigen voor de Elohim  die Zijn heil schenkt en ons wil ontvangen in geloof en eerbaarheid. Dat samenzijn verrijkt ons telkens opnieuw en inspireert ons telkens weer de uitdagingen van deze wereld aan te gaan. Nu dat wij al voor meer dan vier maanden niet meer samen kunnen komen drukt dat wel op velen hun gemoed, omdat ze het gevoelen hebben dat ze de Adonai tekort schieten.

Misschien kunnen gelovigen van andere geloofsgroepen hierbij raad geven en oplossingen aanvoeren.

++

Aanverwante lectuur

  1. Zuiverheid en verantwoordelijkheid van leden en leiders in een gemeenschap
  2. Voor het eerst in jaren weer een Pesach in isolatie
  3. Geestelijke affaires in CoViD-19 afzonderingstijden
  4. 9 Av 2020 en Dagen van droefheid
  5. Een huis bouwen voor God
  6. Ontnomen van een gebedshuis #1 Doodveroorzakers
  7. Verzamelen, bijeenkomen, samenkomen, vergaderen
  8. Verzamelen of Bijeenkomen
  9. Een samenkomst of meeting
  10. Vergadering – Meeting
  11. Laat ons samen komen
  12. De voordelen van een kleine gemeenschap of een huiskerk
  13. De ecclesia als lichaam van Christus

+++

Gerelateerde berichten

  1. Afgescheidenheid
  2. in tijden van corona
  3. Eenzaamheid onder jongeren
  4. Geloofsgemeenschap: een netwerk van liefde
  5. Eenheid in verscheidenheid; Joh 17,20-26
  6. Levende stenen; Hnd 6,1-7; 1 Pt 2,4-9; Joh 24,1-12
  7. Verbonden na Corona
  8. Bidden?
  9. Waarom de stijl van een kerkdienst niets zegt of er levend geloof is
  10. Avondmaal vieren over kerkmuren heen
  11. Mijn nieuw boek: De Joodse Apostelen
  12. Christenen moeten joodse feesten niet houden.
  13. Kerk-zijn in context
  14. Kerk in de stad, stad in de kerk
  15. Liturgie als centrum van kerkzijn? [1]
  16. Wat gebeurt er in de eredienst?
  17. Techniek in de eredienst. Een zegen en een vloek?
  18. Nieuwe liturgie in Corona-tijd (?)
  19. Corona zal ons tot slaaf maken
  20. De positieve gevolgen van corona
  21. Wie schrijft die blijft!
  22. Versoepeling lock-down
  23. Wat is vrijheid?
  24. Angst, naastenliefde en corona-maatregelen
  25. Unlock jezelf!

3 Comments

Filed under Gezondheid, Levensstijl, Nederlandse teksten - Dutch writings, Nieuwsgebeurtenissen - Journaal, Religieuze aangelegenheden, Sociale Aangelegenheden, Voelen en Welzijn, Vragen van lezers

Antwoord op Vragen van lezers: Vraag: Kunt u mij uitleggen wat er in Zacharia 3:2 wordt bedoeld met:‘Een brandhout uit het vuur gerukt’?

“ Jahwe zei tot de Satan: ‘Jahwe zal u terechtwijzen, Satan! Jahwe, die Jeruzalem heeft uitverkoren, zal u terechtwijzen. Deze Jozua is een stuk brandhout, dat aan het vuur ontrukt is!’” (Zac 3:2 WV78)

‘Een brandhout uit het vuur gerukt’

Terug keren

Omdat het volk in Jesaja’s tijd ver is afgedwaald, kondigt God Zijn oordelen aan. En niet het hele volk zal daaruit worden behouden; alleen een ‘rest’ daarvan, bestaande uit de getrouwen:

Want, Israël, al was je volk zo talrijk als zandkorrels aan de zee, slechts een rest zal terugkeren (Jes. 10:22).

Terugkeren betekent hier terugkeren tot God, en bij Paulus vinden we het daarom als

‘behouden worden’ (Rom. 9:27).

Bij Zacharia vinden we al een gedeeltelijke vervulling. Het uit ballingschap teruggekomen volk was begonnen de door de Babyloniërs verwoeste tempel weer te herbouwen, maar was daarmee gestopt toen het daarbij teveel tegenstand ondervond. Pas zo’n 20 jaar later namen ze dat weer op, toen God hun, door de profeet Haggai, verweet dat ze wel hun eigen huizen hadden herbouwd, maar de tempel maar hadden gelaten voor wat die was.

Het overblijfsel bij Zacharia

Zacharia begint met een serie van acht visioenen. In het 1e vraagt een engel:

‘HEER van de hemelse machten, hoe lang zal het nog duren voor u erbarmen toont met Jeruzalem en de steden van Juda, waarop u nu al zeventig jaar verbolgen bent?’ (1:12),

en het antwoord is:

‘zo zegt de HERE der heerscharen: Ik ben voor Jeruzalem en voor Sion in grote ijver ontbrand … nog zal de HERE Sion troosten, Jeruzalem nog verkiezen’ (vs 15,17, NBG’51).

Dat ‘verkiezen’ is een kenmerkende uitdrukking uit het tweede deel van Jesaja, over het herstel van het volk. Het volk heeft de herbouw van de tempel nu weer ter hand genomen, en vier jaar later is hij voltooid. Halverwege de herbouw, arriveert er een delegatie van elders, die komt vragen of ze nog door moeten gaan met het vasten en rouwen over de verwoesting ervan door de Babyloniërs, 70 jaar eerder. Zacharia geeft, namens God, een antwoord op die vraag, door hen er op te wijzen wat God twee jaar eerder had gezegd:

Zo zegt de HERE der heerscharen: Ik ben voor Sion in grote ijver ontbrand; in gloeiende ijver ben Ik ervoor ontbrand (8:2, NBG’51).

En God verzekert hun dat Hij nu een heel andere houding heeft jegens het volk dan vóór de hervatting van de herbouw. Doch dat geldt niet het hele volk, maar alleen het ‘overblijfsel’:

Maar nu ben Ik voorhet overblijfsel van dit volk niet meer zoals inde vorige dagen, luidt het woord van de Here der heerscharen(vs 11, NBG’51).

En daarom krijgen ze in eerste instantie ook geen direct antwoord op hun vraag (of ze nog moeten doorgaan met dat vasten), maar op het werkelijke probleem:

Dit moeten jullie doen (NBG’51): Spreek de waarheid tegen elkaar, bewaar de vrede door eerlijk en rechtvaardig recht tespreken; wees er niet op uit om een ander kwaad te doen en laat je niet verleiden tot meineed, want daar heb ik een afkeer van – spreekt de HEER’ (vs 16-17).

Dat rouw bedrijven is niet belangrijk. Wat van belang is, is de oorzaken wegnemen die tot de ballingschap hebben geleid.

Het visioen in Zacharia 3

Een paar hoofdstukken eerder in Zacharia vinden we een visioen dat die situatie symbolisch beschrijft. Maar we moeten ons er terdege van bewust zijn dat dit inderdaad een visioen is en absoluut geen werkelijkheid!

In zijn 4e visioen (Zach. 3) ziet Zacharia de hogepriester Jozua, gekleed in vuile kleren, iets waar volgens de wet van Mozes de doodstraf op stond. Hij staat voor ‘de engel van de HEER’, die namens God optreedt als rechter, terwijl ‘de satan’ als aanklager aan zijn rechterhand staat. Jozua vertegenwoordigt hier het volk, terwijl zijn vuile kleren de schuld van het volk symboliseren (zie vs 4). Zijn ‘aanklager’ heeft eigenlijk volkomen gelijk wanneer hij hem aanklaagt, maar toch weigert de engel van de HEER het doodvonnis uit te spreken. Want God had immers aangekondigd dat Hij het volk genadig zou zijn. Daarom spreekt hij ‘Jozua’ niet alleen vrij, maar bestraft hij zelfs de aanklager:

De HERE bestraffe u, satan, ja de HERE, die Jeruzalem verkiest, bestraffe u; is deze niet een brandhout uit het vuur gerukt? (3:2, NBG’51).

Dit wijst terug naar het openingsvisioen, waar God had gezegd dat Hij Jeruzalem weer zou verkiezen. Hij had het volk Zelf in ballingschap doen gaan, maar Hij had het daar ook Zelf weer uit bevrijd. Dat drukt Hij uit in dat beeld van een stuk brandhout dat al in het vuur lag, maar daar weer uit weggegrist is.

Dus lezen we dat Hij de schuld van het volk wegneemt, uitgebeeld doordat Jozua schone kleren krijgt, feestkleding zelfs (vs 4); een duidelijk beeld van Gods genade. Toch moeten we niet uit het oog verliezen dat het hier, net als bij Jesaja, uitsluitend over de getrouwen gaat, dat ‘overblijfsel’. Het 6e visioen verkondigt namelijk heel duidelijk dat er een vloek zal uitgaan, die de goddelozen zal treffen. Ook dat is een echo van Jesaja. En het 7e visioen beschrijft ons, in al even symbolische taal, hoe de zonde definitief uit het land zal worden weggedaan, en teruggevoerd naar het land Sinear, waar ze vandaan kwam. Sinear staat in de Bijbel symbool voor menselijke eigengerechtigheid. Het is de naam die we in Gen 11 vinden voor de vlakte van Mesopotamië, het land van de toren van Babel, waar Abraham uit werd weggeroepen, en waarheen het volk – toen het zich onverbeterlijk toonde – door God werd teruggevoerd in de Babylonische ballingschap, maar waar Hij het ook weer uit bevrijdde.

De toepassing in de brief van Judas

Dit betreft het volk van het Oude verbond. Maar het is niet anders voor dat van het Nieuwe. Ook dat is alleen gered door genade. Daarover gaat een passage in de brief van Judas. Helaas wordt die maar door weinig mensen begrepen.

De sleutel ligt in die woorden

“Moge de Heer u straffen” (vs 9),

die een rechtstreekse aanhaling zijn van Zach 3:2. Judas heeft het over valse profeten, die niet aarzelen hun medegelovigen te veroordelen, terwijl zij tegelijkertijd zelf de geboden van Christus aan hun laars lappen. Zij zijn als die goddelozen ten tijde van Zacharia. En dus verwijst hij daarnaar. Hij begint zijn voorbeeld daarom nadrukkelijk met te verwijzen naar de Schrift, die zijn lezers immers kennen:

Ik wil u eraan herinneren – ook al weet u dit alles wel – dat … Denk ook aan … En herinner u ook … (vs 5,6,7).

Om er dan op te laten volgen:

En toch doen deze zogenaamde zieners precies hetzelfde: ze … verwerpen het gezag van de Heer … Zelfs de aartsengel Michaël waagde het niet … te veroordelen toen hij met (de duivel) twistte over het lichaam van Mozes. Hij zei alleen: ‘Moge de Heer u straffen’ (Judas 8-9).

Let op dat ik in dit citaat enkele stukjes heb overgeslagen, gedeeltelijk omdat ze de aandacht afleiden van waar het over gaat, maar voor een deel ook omdat de vertalers van de NBV (net als de meeste vertalers) de connectie met Zach. 3 niet hebben gezien. Judas spreekt hier over een aartsengel (Zacharia over de ‘engel van de HEER’) en over de duivel (Zacharia over de satan) als aanklager. En hij spreekt over het volk van het Oude Verbond. Zacharia deed dat in het beeld van de hogepriester van toen. Judas gebruikt de term ‘het lichaam van Mozes’ (de gever van de Wet van het Oude Verbond), zoals Paulus elders spreekt over het volk van het Nieuwe Verbond als ‘het lichaam van Christus’ (de hogepriester van dat Nieuwe Verbond). Hij benadrukt dat Gods engel het ‘overblijfsel’ van het volk niet veroordeelde, maar integendeel vrijsprak en van hun schuld bevrijdde. Die engel bestrafte juist de aanklager. Zo zullen ook deze ‘aanklagers’ van de getrouwen die God heeft verlost van hun schuld, bij het oordeel worden bestraft (veroordeeld) in plaats van hun geloofsgenoten, boven wie zij zich zo verheven voelden.

Een voorbeeld om na te volgen

Maar Judas laat het daar niet bij. Hij trekt nog meer conclusies uit dat visioen. Hij vermaant zijn lezers zich niet door zulke valse profeten op de verkeerde weg te laten brengen:

Maar u, geliefde broeders en zusters, moet uw leven bouwen op het fundament van uw zeer heilige geloof … houd vast aan Gods liefde, en zie uit naar de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus, die u het eeuwige leven zal schenken (vs 20-21)

Gods liefde doelt zeker op de liefde waarmee God hen bevrijdde van schuld. Maar hij bedoelt ook dat wij op onze beurt die liefde en die barmhartigheid moeten betonen aan anderen, want hij vervolgt met:

Ontferm u over wie twijfelen en red hen (NBG’51) door hen aan het vuur te ontrukken. Uw medelijden met anderen moet (echter) gepaard gaan met vrees; verafschuw zelfs de kleren die ze met hun lichaam bezoedeld hebben (vs 22-23).

Medegelovigen die dreigen te worden meegesleurd door de verleidingen van die valse leraars, moeten zij op dezelfde manier ‘uit het vuur rukken’ als God het henzelf had gedaan, en (in dat visioen van Zacharia) zijn volk van destijds. Maar anderen die uit ongeloof of andere onzuivere motieven, tot het kwade neigen, moeten zij juist uit de weg gaan, zoals een Israëliet onder de Wet elke onreine (dat woord ‘bezoedeld’) uit de weg moest gaan. Hun vuile kleren worden niet, zoals die van Jozua, verwisseld voor een feestgewaad, want zij hebben die willens en wetens ‘bezoedeld’.

De les is dus dat wij de genade en barmhartigheid die God ons heeft betoond, op onze beurt zelf weer moeten betonen aan onze medegelovigen, in plaats van hen te veroordelen vanuit een houding van trots op onze eigen ‘gerechtigheid’. Niet veroordeling maar redding moet onze inzet zijn. Maar tegelijkertijd moeten wij ons niet inlaten met wie niet handelen uit zwakte, maar uit hoogmoed. Met hen moeten wij ons niet inlaten, want zij zouden ons kunnen meeslepen in hun val. Dat vraagt van ons dus onderscheidingsvermogen. Aan de ene kant mogen we ons niet onttrekken aan onze verantwoordelijkheid jegens onze medegelovigen, en aan de andere kant moeten we ons eigen geloof zo zuiver (‘rein’) mogelijk bewaren. Maar met Christus hulp moet dat lukken.

R.C.R

+

Voorgaande:

Antwoord op Vragen van lezers: Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden

Leave a comment

Filed under Nederlandse teksten - Dutch writings, Religieuze aangelegenheden, Vragen van lezers

Wie was Melchisedek?

Reacties op in ons papieren blad verschenen artikelen:

Wie was Melchisedek?
Hebr. 7 zegt dat hij geen vader of moeder had,
en geen oorsprong of levenseinde.
Was hij een engel? Of Jezus zelf?

We ontmoeten Melchisedek zelf in Genesis 14:

En Melchisedek, de koning van Salem, liet brood en wijn brengen. Hij was een priester van God, de Allerhoogste, en sprak een zegen over Abram uit … Abram gaf aan Melchisedek een tiende van wat hij had heroverd. (Gen. 14:18-20)

Deze Melchisedek verschijnt hier heel plotseling in het verhaal, en verdwijnt weer even plotseling daaruit. We lezen niet wie hij feitelijk was, of van wie hij afstamde. We lezen alleen dat hij ‘koning van Salem’ was, en ‘priester van God’, dat hij Abram zegende, en dat Abram hem tienden gaf van de buit. Dat is dus niet veel informatie, maar het stelt ons toch niet echt voor problemen. Kennelijk leefde er in Kanaän een plaatselijke koning die tevens priester was van de ware God. Hij zegent Abram, en Abram erkent in hem zijn meerdere want dat is waar die zegening en dat geven van die ‘tienden’ op neer komt. Daarna komen we alleen zijn naam nog tegen: eerst in Ps. 110:4, en de brief aan de Hebreeën geeft daar commentaar op. Dat zijn de beide andere keren dat hij in de Bijbel genoemd wordt. In Hebr. 5 lezen we:

Ergens anders [nl. in Ps. 110:4] zegt (God):

‘Jij [de Messias] zult voor eeuwig priester zijn, zoals ook Melchisedek dat was.’ … En Hijwerd … een bron van eeuwige redding, omdat God Hem heeft uitgeroepen tot hogepriester zoals Melchisedek dat was. (Hebr. 5:6,10)

In hoofdstuk 7 legt hij dat verder uit:

Want deze Melchisedek, koning van Salem en priester van de allerhoogste God, ging Abraham tegemoet … en zegende hem, waarna Abraham hem een tiende van alle buit gaf. Zijn naam betekent ‘koning van de gerechtigheid’, en verder is hij ook koning van Salem, dat is ‘koning van de vrede’. Hij heeft geen vader of moeder, geen stamboom, geen oorsprong of levenseinde en lijkt op de Zoon van God – hij is priester voor altijd. (Hebr. 7:1-3)

Het is duidelijk dat hier de moeilijkheden liggen. Zijn naam, zegt de schrijver, is een samenstelling van melek (koning) en zadok (gerechtigheid). Verder is hij koning van Salem, dat verwant is aan shalom (vrede). Bedenk daarbij dat het Hebreeuws geen klinkers kent, en dat de weergave van een Hebreeuwse klank door een ‘s’ of een ‘z’ een keuze van de vertalers is (dus is er bijv. geen wezenlijk verschil tussen sedek en zadok). Daarmee is hij volgens de schrijver een (symbolisch!) beeld van de Messias (Christus), die de werkelijke koning der gerechtigheid is (bijv. Jes. 11:4-5 en 32:1), en koning des vredes (bijv. Jes. 9:5). Let dus op dat hij niet betoogt dat deze Melchisedek de Messias is, maar dat hij er een beeld van is! Vervolgens licht hij bepaalde aspecten van die verzen in Gen. 14 eruit en betoogt dat die zijn lezers (Hebreeën, dat is: Joodse christenen!) iets vertellen over de eigenschappen van dat Messiasschap.

De problemen ontstaan nu uit het feit dat zijn argument niet alleen berust op wat ons van Melchisedek wordt verteld, maar voor een deel juist op wat ons niet wordt verteld. Het gaat hem er dus niet zozeer om wie of wat de werkelijke Melchisedek was, maar om de manier waarop hij ons in Genesis wordt gepresenteerd. Zijn argument is dan dat het priesterschap van Melchisedek een beeld is van dat van Christus, en daaruit leidt hij af dat het priesterschap van de Messias groter is dan het Levitische priesterschap dat zijn lezers kenden, en dat zijzelf als de hoogste vorm van priesterschap zagen. Dat Levitische priesterschap, betoogt de schrijver, moest voortdurend van vader op zoon worden doorgegeven, omdat zij op een gegeven moment nu eenmaal dood gingen (Hebr. 7:23). Maar het priesterschap van de Messias is volgens Ps. 110 eeuwig (zie Hebr.5:6). En dat wordt dan geïllustreerd door het feit dat ons van Melchisedek geen afstamming en geen geboorte of dood wordt medegedeeld (Hebr. 7:3). Natuurlijk is hij in werkelijkheid gewoon geboren, uit menselijke ouders, en ook weer een keer gestorven. Maar door deze manier van presenteren is hij, betoogt de schrijver, een beeld van de Messias die zijn priesterschap van niemand heeft geërfd (vs 16) en die in werkelijkheid tot in eeuwigheid priester blijft (vs 24). Tenslotte noemt hij het feit dat Abram onderdanigheid betoont aan Melchisedek, en dat Abrams nakomeling Levi (als afstammeling altijd minder dan zijn stamvader) daarmee dus eveneens ondergeschikt is aan deze Melchisedek. En dat geldt dan dus ook voor Levi’s priesterschap ten opzichte van het priesterschap ‘zoals dat van Melchisedek’, dus (uiteindelijk) voor het priesterschap van de Messias zelf.

++

Aansluitende lectuur

  1. De nacht is ver gevorderd 8 Studie 2 Schrik of troost 4 De wereld rond Israël

+++

heb2 priest

Gerelateerd

  1. Melchisedek
  2. Jesus Breaks Through

Leave a comment

Filed under Geestelijke aangelegenheden, Nederlandse teksten - Dutch writings, Religious affairs, Vragen van lezers

Wat betreft het “Getal van de duivel”

Het Getal van het Beest

Begin juni 2006 meldde het nieuws dat bijbelgetrouwe christenen op 6 juni wereldwijd in gebed zouden gaan. Want op de zesde van de zesde van het jaar zes van dit nieuwe millennium zou anders de duivel kunnen toeslaan en zijn verwachte wereldheerschappij gaan vestigen. Zes-zes-zes was immers het getal van de duivel.

Hoewel dit intussen oud nieuws lijkt, is de achterliggende mentaliteit steeds actueler aan het worden. Zulke acties zijn typerend voor veel goed-bedoeld, maar onbijbels denken over het boek Openbaring.

Wat hier fout aan is?

Het getal van het beest is niet zes-zes-zes (dat is een Amerikaanse manier om een getal aan te geven) maar zeshonderd-zestig-zes. De Griekse tekst van Openbaring gebruikt namelijk geen getallen maar woorden. En voor zover het Grieks wel ‘cijfers’ kent (er is één handschrift bekend waarin het getal wel in getalwaarden staat weergegeven) zijn deze verschillend voor 600, voor 60 en voor zes. We zijn nog lang niet aan het jaar 600, terwijl de 60e maand van dat jaar ook problemen gaat geven. Het getal is dan ook geen datum: het is ‘het getal van zijn naam’ (Openbaring 13:17). En het is ook niet het getal van de duivel, want het is ‘een getal van een mens’ (vs 18).

Dit soort interpretatie van Openbaring, meer gebaseerd op geloofsijver dan op bijbelkennis, is afkomstig uit Amerika, waar het grote aanhang heeft. Maar er zitten bedenkelijke kantjes aan zulk enthousiasme. Gebrek aan werkelijke kennis van de tekst van Openbaring, en vooral de onderlinge samenhang daarin, in combinatie met de neiging de ‘spectaculaire’ symboliek van het boek letterlijk op te vatten, kan snel leiden tot onjuiste toekomstverwachtingen. Uit enkele recent verschenen boeken van Amerikaanse politieke auteurs blijkt verder, hoezeer groepen die deze opvattingen aanhangen de Amerikaanse politiek momenteel beïnvloeden. Dat kan een gevaarlijke combinatie vormen.

+

Omtrent de duivel kan u verder lezen:

  1. Gevallen engelen
  2. Gevallen engelen en hun verblijf
  3. Duivel, Satan, Lucifer, Demon, Goed en Kwaad en God
  4. Begrippen satan en duivel in de Bijbel
  5. Satan of Duivel
  6. Satan het kwaad in ons
  7. Lucifer
  8. Hoe leest u?: Lucifer
  9. Hoe de Satan vandaag rond toert
  10. Schapen en bokken 4 Addendum 2: Eeuwig branden in de hel
  11. God meester van goed en kwaad
  12. Hemel en hel
  13. Media geen werk van Satan, een duivelse engel

Leave a comment

Filed under Nederlandse teksten - Dutch writings, Politieke aangelegenheden, Vragen van lezers, Wereld aangelegenheden

Vraag: Als men uit God geboren zou zijn waarom zouden wij dan nog vergiffenis moeten vragen?

Bij de vragen en opmerking van onze lezers treffen wij het volgende aan:

“Wie uit God geboren is zondigt niet,
want Gods zaad is blijvend in hem.
Hij kán zelfs niet zondigen, want hij is uit God geboren”. (1 Joh.3:9).

Is de gelovige werkelijk niet in staat te zondigen?
Maar waar zouden wij dan nog vergiffenis voor moeten vragen?

Om Johannes hier te kunnen begrijpen, moeten we weten wat hij met zijn brief wil zeggen. Hij heeft het over een opvatting die uit de Griekse filosofie dreigt in te sluipen. Volgens die opvatting zijn lichaam en geest volledig gescheiden; alleen de geest heeft dan waarde, en alleen de dingen van de geest kunnen daarom goed of slecht zijn.
Wat je met je lichaam doet, zou geen ‘zonde’ zijn, want het lichaam is, volgens die opvatting, voor onze goddelijke bestemming van geen enkel belang.  Zonde bestaat dan alleen maar in de geest, en met het lichaam zouden we kunnen doen wat we maar willen. Johannes verzet zich fel tegen deze onbijbelse opvatting. De moeilijkheid zit voor ons in het feit dat hij met ‘zondigen’ twee verschillende dingen bedoelt. Aan de ene kant de zonde die de ware volgeling van Christus probeert na te laten, maar waarin hij toch telkens weer vervalt, omdat hij nu eenmaal nog niet de volmaaktheid heeft bereikt. Geen enkele gelovige is volledig vrij van zulke zonde. Aan de andere kant zijn er de daden van deze dwaalleraars, duidelijk in strijd met de leer van Christus,waarvan zij echter betogen dat je die zonder bezwaar kunt doen, omdat dat toch geen zonde is. De ware christen onthoudt zich volledig van zulke daden (zulke zonde). Wie bewust zulke ‘zonde’ doet (ook al ziet hij die zelf niet als zonde), is geen volgeling van Christus.

Over die eerste vorm van zonde, die uit zwakheid, zegt Paulus:

Wat ik doe, doorzie ik niet, want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat … Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet. Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik. (Rom. 7:15-19)

Met zijn geest (verstand) weet hij wat hij als christen zou moeten doen, maar zijn natuurlijke neiging is anders, en dat brengt hem er toch telkens weer toe dingen te doen die verkeerd zijn.
Weliswaar wil hij dat eigenlijk niet, maar – zoals Jezus zelf zei –

‘de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak’ (Matth. 26:41).

Let op dat hij dat niet verontschuldigt, als iets dat alleen maar  ‘van het lichaam is’ en dat daarom dus geen zonde zou zijn. Integendeel, hij (Paulus) wijst dit volledig aan als zonde, en roept vol wanhoop uit:

“Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit dit lichaam van de dood?”

Maar in de volgende zin geeft hij zelf de oplossing:

“God zij gedankt: door Jezus Christus,onze Heer!” (vs 24-25).

Over deze zonde, begaan uit zwakheid, zegt ook Johannes:

Als we zeggen dat we de zonde niet hebben [de NBV vertaalt dit ten onrechte met ‘niet kennen’], misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons.
Belijden we (zulke) zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons (die) zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad. (1 Joh. 1:8-9)

Maar over die andere gedachte, dat wij geen zonde hebben, omdat wij met ons lichaam niet zouden kunnen zondigen, zegt hij:

Als we zeggen dat we nooit gezondigd hebben, maken we Hem [God] tot een leugenaar en is zijn woord niet in ons. (vs 10)

En hij gaat nog een stap verder. Wie (willens en wetens) dingen doet die God heeft verboden, en die de Schrift zonde noemt, is een goddeloze. Het begrip dat hij in feite gebruikt is ‘wetteloos’. Maar met wet-teloos bedoelt de Schift alles wat tegen Gods Wet in gaat, en hetwoord is dus synoniem met ‘goddeloos’:

Ieder die (bewust) zondigt overtreedt Gods wet, want zondigen is Gods wet overtreden. (1 Joh. 3:4)

Hij vat dat samen met:

“Ieder die in hem blijft, zondigt niet (= niet bewust)”, maar “ieder die (bewust) zondigt, heeft hem nooit gezien en kent hem niet.” (vs 6).

En vervolgens trekt hij dan de conclusie:

Het kan niet zo zijn dat wie uit God is geboren, tegelijkertijd willens en wetens bezig is dingen te doen die God heeft verboden. Dat is logisch gesproken onmogelijk! Vrij vertaald schrijft hij:

“Wie werkelijk uit God is wedergeboren, doet niet willens en wetens dingen die de Schrift aanduidt als zonde; want hij heeft het zaad van het evangelie (dat in zijn hart is gezaaid) blijvend in zich en hij kan dus onmogelijk tegelijkertijd bezig zijn met zulke dingen, want hij is wedergeboren.” (vs 9)

Hij heeft het dus niet over een fysieke onmogelijkheid om zonde te doen, maar over de logische onmogelijkheid om willens en wetens dingen te doen waarvan hij kan weten dat ze zonde zijn. Wie dat toch doet is niet werkelijk wedergeboren.

1 Comment

Filed under Geestelijke aangelegenheden, Levensstijl, Nederlandse teksten - Dutch writings, Religieuze aangelegenheden, Voelen en Welzijn, Vragen van lezers

Moeilijkheid om te vergeven

Reacties op in ons  tijdschrift verschenen artikelen en veel gestelde vragen via het internet

Vraag:

In Lukas 23:34 zegt Jezus: ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’ Betekent dit dat wij het aan God kunnen overlaten mensen te vergeven waarvoor wij dat zelf te moeilijk vinden?

In Mattheüs 18 vinden we Jezus’ eigen leer hierover. Hij geeft daar (vs 23-35) een gelijkenis over twee slaven. De eerste is zijn heer een enorm bedrag schuldig (ca.€150 miljoen), dat hij hem dus nooit zou kunnen terugbetalen. Wanneer zijn heer dan beslist dat hij daarom met zijn gehele gezin verkocht moet worden, om op die manier de schuld te voldoen, smeekt hij zijn heer om genade. Die scheldt hem daarop die gehele schuld kwijt. Dan treft die slaaf een mede-slaaf die hem 100 schellingen schuldig is (ca.€250). Hij eist dat bedrag op, en wanneer hij hem niet onmiddellijk kan betalen, laat hij hem gijzelen (in de gevangenis zetten) totdat hij heeft betaald. Wanneer de heer daarvan hoort, laat hij de eerste slaaf alsnog boeten voor zijn onbetaalde schuld.

Jezus’ les is dan:

“Zo zal mijn hemelse Vader ook ieder van jullie behandelen die zijn broeder of zuster niet van harte vergeeft.” (vs 35).

Dat zou duidelijk moeten zijn! Wij hebben een enorme schuld bij God, die wij nooit zouden kunnen afbetalen. Die kan alleen afbetaald worden met ons leven. God is echter bereid ons die schuld volledig kwijt te schelden, en ons daarmee dat leven te schenken. Maar dan moeten wij, op onze beurt, wel bereid zijn onze medemensen hun schulden kwijt te schelden. Daarom heeft Jezus ons geleerd te bidden:

“Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was.” (Matth. 6:12).

Dat laatste is de onontkoombare voorwaarde voor het eerste. Wanneer wij daar niet toe bereid zijn, geldt voor ons, net als voor die eerste slaaf, dat onze Heer (God) zijn kwijtschelding weer intrekt, en ons alsnog verantwoordelijk houdt voor onze eigen schuld. Want zo iemand heeft kennelijk niet begrepen hoe oneindig groot de kwijtschelding is die hij zelf heeft ontvangen, en schiet daarmee, net als die slaaf, tekort in dankbaarheid. En voor een goed begrip: het is ook dan nog heel goed mogelijk dat God die ander wel degelijk vergeeft; de enige die in die situatie geen vergiffenis ontvangt zijn wijzelf.

En wat bedoelt Jezus dan met zijn uitspraak op het kruis? Zij die ervoor verantwoordelijk waren dat hij daar hing, hadden daarmee grote schuld op zich geladen. Maar Jezus stierf daar voor de schuld van anderen, dus in principe ook voor die van hen. Hij gaf zijn leven in plaats van het hunne. We kunnen dus onmogelijk zeggen dat Jezus daar aan zijn Vader vraagt:

‘vergeeft U het ze maar, want Ik doe het niet!’

Integendeel: hij doet daar alles wat hij kan, tot aan het uiterste. En hij vraagt zijn Vader dat offer te accepteren, en van zijn kant die mensen ook te vergeven. Want alleen God kan beslissen of die mensen voor hun zonde moeten sterven, of dat hij ze hun schulden kwijtscheldt en ze laat leven. Jezus geeft ons daarmee een voorbeeld, dat wij moeten navolgen (zie ook Stefanus). En wie dat moeilijk vindt, moet God bidden hem daarbij te helpen, niet om dat van hem over te nemen. Want anders loopt het met hem, net als met die slaaf, slecht af.

+

Vervolg van

Is het nodig dat wij onze zonden belijden aan God, nadat Jezus voor onze zonden gestorven is?

Vindt ook

Genoegdoening

++

Aanverwant

  1. De Falende mens #2 Vrije keuze
  2. De toorn van God
  3. Lam van God #3 Tegenover onschuldig dier een onschuldig man #2
  4. Zonde en rekenschap
  5. Een man die anderen niet kan vergeven
  6. Status Quo
  7. Vergeving altijd mogelijk
  8. Vergeven
  9. Geestelijke vorming tot heiligheid #3

Leave a comment

Filed under Geestelijke aangelegenheden, Levensstijl, Nederlandse teksten - Dutch writings, Sociale Aangelegenheden, Vragen van lezers

Is het nodig dat wij onze zonden belijden aan God, nadat Jezus voor onzezonden gestorven is?

 

In het Onze Vader wordt hierover gesproken maar toen woonde Jezus nog op de aarde. Het is nuttig eerst iets dieper in te gaan op de begrippen verlossing en vergiffenis.

De eis die eigenlijk aan ons wordt gesteld, is dat wij in het geheel niet zondigen. Alleen absolute volmaaktheid maakt ons aanvaardbaar voor God. Helaas is alleen Jezus er in geslaagd die volmaaktheid te tonen. De overige mensen slagen daar niet in, en hebben daarom verlossing nodig.

De openbaring van Gods verlossingsplan maakt duidelijk dat wij op bepaalde voorwaarden toch kunnen worden aangenomen, en zo ontkomen aan de dood die wij eigenlijk zouden verdienen. En dat het verlossingswerk van Christus daar een grote rol bij speelt. Maar het basisprincipe is en blijft dat zonde onacceptabel is voor God. Met andere woorden: van ons wordt gevraagd dat wij ons uiterste best doen die volmaaktheid van Jezus, op zijn minst zo goed mogelijk, te benaderen. Maar wanneer wij daarin tekort schieten, is het niet een kwestie van ‘game over’ (zoals onder de wet van Mozes strikt genomen het geval was), en zelfs niet van ‘terug naar af’ en opnieuw beginnen (zoals in sommige andere religies, zoals het boeddhisme), maar kunnen we vergiffenis vragen en verdergaan. De bedoeling is dan uiteraard wel dat wij van onze fouten leren, en wel degelijk naar dat voorbeeld van Christus toegroeien.

Uiteraard kan het niet de bedoeling zijn dat wij gewoon ons eigen leven leiden, en de rekening daarvoor door Christus laten betalen. Zijn verlossingswerk is geen vrijbrief om onze eigen gang te gaan.
Waar wij tekort schieten, mogen (!) we ons beroepen op de verlossing die hij tot stand bracht, maar dat is geen verkregen recht. Christus betaalt als het ware onze schulden, maar dit betekent wel dat wij niet de vrijheid hebben om bewust nieuwe schulden te maken, omdat de rekening toch al zou zijn voldaan. Dit houdt in dat wij, wanneer we toch weer in de fout zijn gegaan, in elk geval bereid moeten zijn te erkennen dat het fout was. En dat kunnen we alleen maar doen door onze zonde te belijden. En de tweede eis is, dat wij onze uiterste best moeten doen om herhaling te voorkomen. En dit op zijn beurt vergt dat wij ons bewust zijn van onze fouten. En niets maakt je zo goed bewust van je fouten als de noodzaak ze te belijden. Anders gaan we maar denken dat het allemaal wel meevalt.

Jacobus raadt ons zelfs aan die fouten te belijden tegenover elkaar (Jac. 5:16), hoeveel te meer aan God. De Schrift vertelt ons dat we radicaal moeten veranderen. We moeten al onze menselijke neigingen achter ons laten, en ons zo volledig mogelijk richten op het voorbeeld van Jezus. En die verandering moet zo radicaal zijn, dat het ons wordt voorgesteld als het worden van ‘een nieuwe mens’ (Efez. 4:22-24), of van een opnieuw geboren worden (Joh. 3:3). Dat kan alleen wanneer we ons voortdurend bewust zijn van wat we nog verkeerd doen, waar we nog tekort schieten, en wat er dus beter moet. En zelfs wanneer we in dit leven nooit die volmaaktheid van Jezus zelf zullen bereiken: we moeten wel groeien, we moeten er wel steeds dichter in de buurt komen. Dat is een leerproces; en we leren het snelst van onze fouten. We herkennen onze fouten alleen wanneer we gedwongen worden die te erkennen, niet in de laatste plaats tegenover onszelf. Maar wanneer we al niet bereid zijn die toe te geven tegenover God, dan hebben we smoezen genoeg om ze te ontkennen tegenover onszelf. Vandaar.

Daarom: ja, onze schulden worden ons kwijtgescholden, en de rekening daarvoor is al voldaan. Maar we hebben geen carte blanche om dan maar onze gang te gaan; we kunnen niet op pad gaan met Jezus’ creditcard opzak. We zullen voor elke nieuwe schuld weer met het schuldbriefje bij God langs moeten gaan, en nederig vragen of dat misschien weer afgeboekt mag worden. Op zijn minst leren we ons dan te schamen voor ons gedrag. Dat klinkt misschien allemaal erg negatief, en in werkelijkheid zal het effect ook veel positiever zijn: we bouwen een relatie op, die we anders niet zouden hebben. Maar we moeten nooit de vergissing maken dat zonde sinds Christus’ dood niet serieus meer is. Dat is die wel.

In Gods ogen is zonde nog steeds bloedserieus. En het belijden daarvan maakt ons daar beter dan wat dan ook van bewust.

Nog een laatste opmerking over het feit dat Jezus zijn discipelen het ‘Onze Vader’ leerde, toen Hij ‘nog op aarde’ was. Uit zijn woorden blijkt dat hij hier was om de zijnen voor te bereiden op het nieuwe Verbond en het nieuwe tijdperk dat komen ging. Het lijkt daarom niet logisch te verwachten dat hij zijn discipelen een ‘nieuw gebed’ zou leren, dat enkele jaren later alweer achterhaald zou zijn. We mogen er daarom van uitgaan dat dit gebed een patroon bevat, dat door alle eeuwen heen van belang blijft.

1 Comment

Filed under Levensstijl, Nederlandse teksten - Dutch writings, Vragen van lezers

Gods alles-wetendheid en toch te ‘berouwen’ zaken

Wanneer God alles van tevoren weet, hoe moet ik dan die verzen zien waarin staat dat het ‘God berouwde’ dat Hij dit of dat gedaan had?

Het Hebreeuwse woord waar het hier om gaat, isnacham. Het komt bijna 100 maal voor in het OT, in de NBG’51 ruim 30 maal vertaald met iets als ‘berouw’ of ‘berouwen’ en ruim 60 maal met iets als‘troost’ of ‘troosten’. Opvallend is echter dat het in het eerste geval meestal over God gaat, en in het tweede geval meestal over mensen. Alsof God wel berouw zou kennen, maar mensen niet.

De grondbetekenissen van het Hebreeuwse woord zijn:

  1. • van gedachten veranderen
  2. • betreuren

Daarvan afgeleide betekenissen zijn dan:

  • • er nu anders over denken: er, bij nader inzien, twijfels over hebben
  • • spijt of berouw hebben
  • • smart lijden
  • • medelijden hebben of tonen
  • • troosten, bemoedigen

Naar onze mening heeft het woord ‘berouw’ in de meeste gevallen dan ook een veel te sterke morele betekenis. Een goed voorbeeld vinden we in Exodus 13:17:

“God leidde (het volk) niet op de weg naar het land der Filistijnen, hoewel deze de naaste was; want God zeide:

Het volk mocht eens berouw krijgen, wanneer zij in strijd gewikkeld werden, en naar Egypte terugkeren”.

Het gaat hier niet om een morele inkeer: God overweegt dat als het volk meteen tegen moeilijkheden aanloopt, het die hele uittocht ineens niet meer zo zal zien zitten. Zij zouden op slag last krijgen van koudwatervrees en maar liever weer willen omkeren. Dit is duidelijk ‘van gedachten veranderen’, ‘er, bij nader inzien, twijfels over gaan hebben’. Iets meer morele lading lijkt het woord te hebben bij Jeremia:

“Ik [God] heb Efraïm horen klagen:

Gij hebt mij getuchtigd … bekeer (shub) mij,dan zal ik mij bekeren (shub), want Gij, HERE, zijt mijn God. Want nadat ik tot inkeer (shub) ben gekomen, heb ik berouw (nacham)gekregen” (Jer. 31:18-19).

We zien hier dat inkeer en berouw niet identiek zijn, want het eerste gaat vooraf aan het tweede.

Dat woord shub betekent: ‘omkering’. Letterlijk staat er dus niet meer dan:

‘Doe mij omkeren, dan zal ik mij omkeren, want nadat U mij hebt doen omkeren ben ik een nieuwe weg ingeslagen.’

Het is dus in de grond een heel letterlijk beeld. Zij gaan de verkeerde weg en vragen God hen op de goede weg te leiden. Pas wanneer wij dat toepassen krijgt het een morele component. In het geval van God is het nog zwakker bedoeld. God komt zeker niet tot een vorm van morele inkeer, maar het kan zelfs niet zo zijn dat God van gedachten verandert omdat het Hem zou zijn tegengevallen. Wat we zien is dat God ons lessen wil leren, en dat Hij daarom, in Zijn omgang met de mens, allerlei wijzen van aanpak uitvoert, zoals wij die zouden kiezen (let op: niet probeert, want Hij weet wat het resultaat zal zijn), om zo de mens leren dat die geen van alle tot het gewenste resultaat leiden. Dat moet ons ervan overtuigen dat alleen Zijn oplossing werkt.

Het woord nacham vertelt ons in zulke gevallen dat God ‘besluit’ dat het zo wel genoeg is, en dat de tijd gekomen is voor de volgende fase van Zijn plan, dus dat Hij van nu af een nieuwe weg inslaat. Dit is het einde van dit ‘experiment’, dus deze les, en begint de volgende. Wanneer we het gebruik van het woord nacham in verband met God nagaan, blijkt dat het steeds te maken heeft met het bereiken van zo’n keerpunt: het vertelt ons dat voor God de tijd gekomen is om een nieuwe richting in te slaan. Het is dus alleen maar het feit dat de vertalers, om vrij onduidelijke redenen, het woord ‘berouw’ gekozen hebben, dat ons op het verkeerde been zet. Dit woord ‘berouw’ heeft in onze taal veel te veel morele lading, die het in het Hebreeuws zelden heeft. Het feit dat nachamin de NBG’51 in slechts drie gevallen met ‘berouw’ is vertaald als het om mensen gaat (waar morele inkeer in principe wel mogelijk is, maar waar dat desondanks ook daar toch niet is bedoeld, zie bovenstaande voorbeelden), geeft al aan dat de morele betekenis daar niet voorop staat. Hoeveel te minder dan voor God.

7 Comments

Filed under Geestelijke aangelegenheden, Nederlandse teksten - Dutch writings, Vragen van lezers

Wie bedoelde Jezus met de “andere schapen” (Johannes 10:16)?

“ Ik heb nog andere schepen, die niet uit deze schaapsstal zijn. Ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: een kudde, een herder.” (Joh 10:16 WV78)

De herder is in het Oude Testament een bekend beeld voor de zorg van God voor zijn volk – voor de enkeling (Psalm 23), maar vooral voor de natie, die Hij uit slavernij leidde en voedde en beschermde (Psalm 74:1; 79:13; 80:2; 95:7; 100:3; Jesaja 63:5). Het was geen toeval dat zowel de grote leider, Mozes, als de grote koning, David, herders waren voordat God hen riep om zijn volk te hoeden.

Toen het volk Israël door zijn “herders” te gronde werd gericht, beloofde God dat Hij zelf zijn kudde zou redden en de Messias, de Zoon van David, zou aanstellen, als hun herder:

“Dan zal ik één herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn” (Ezechiël 34:23).

Micha zei eveneens van Degene die in Bethlehem geboren zou worden:

“Dan zal hij staan en hen weiden in de kracht van de HERE, zijn God”( Micha 5:3);

en Jesaja:

“Hij zal als een herder zijn kudde weiden, in zijn arm de lammeren vergaderen…” (Jesaja 40:11).

Jezus was die “goede herder” die door de profeten aan Israël was beloofd. Gedurende zijn leven was zijn werk beperkt gebleven tot

“de verloren schapen van het huis van Israël”( Mattheüs 15:24; 10:6).

Pas na zijn dood en opstanding kregen zijn discipelen de opdracht om behoudenis in hem in de hele wereld te gaan prediken. Voortaan werden ook de heidenen geroepen om deel te hebben aan Gods beloften: ook zij waren binnen de kudde van Israël gebracht. In de woorden van Paulus in Efeziërs 2:13:

“Thans in Christus Jezus bent u, die eertijds veraf was, dichtbij gekomen door het bloed van Christus”.

De toekomstige niet-Joodse gelovigen werden dus de “andere schapen die niet van deze stal zijn”, die aan Gods volk, zijn kudde toegevoegd zouden worden, om één kudde te vormen; en

“het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens” (Openbaringen 7:17)

++

Vindt meer achtergrond

  1. Overdenking: Elke Schrifttekst is door God geïnspireerd en kan gebruikt worden om onderricht te geven
  2. Betreffende Christus # 1 Een god of de God, een mensenzoon en zoon van God
  3. Jezus zoon van David, zoon van Abraham en zoon van God
  4. Jezus van Nazareth #1 Jezus Geboorte
  5. Het begin van Jezus #10 Een Heraut kondigt aan
  6. Andere Schapen
  7. Kleine kudde getrouwe beheerder
  8. Niet alle Getuigen behorend tot Getuige van Jehovah

Leave a comment

Filed under Geestelijke aangelegenheden, Nederlandse teksten - Dutch writings, Vragen van lezers