Tag Archives: Één God

Beproevende God heeft tekenen gegeven

 

 

“32 Want vraag naar de vorige tijden, die vóór u geweest zijn, van dien dag af, dat God den mens op de aarde geschapen heeft, van het ene einde des hemels tot het andere, of ooit zulk ene grote zaak geschied of iets dergelijks ooit gehoord is, 33 dat een volk de stem Gods gehoord heeft uit het vuur sprekende, gelijk gij gehoord hebt, en in het leven is gebleven? 34 Of dat God beproefd heeft heen te gaan en zich een volk midden uit een volk te nemen door beproevingen, door tekenen, door wonderen, door strijd, en door een machtige hand en door een uitgestrekten arm, en door verschrikkelijke daden; gelijk de Heer, uw God, dit alles voor u gedaan heeft in Egypte voor uwe ogen? 35 Gij hebt het gezien, opdat gij weten zoudt, dat de Heer alleen God is, en niemand meer. 36 Van den hemel heeft Hij u zijne stem doen horen, om u te tuchtigen; en op de aarde heeft Hij u zijn groot vuur getoond, en zijne woorden hebt gij uit het vuur gehoord.” (Deuteronomium 4:32-36 NLB)

“Zo zult gij nu weten, dat de Heer, uw God, God is, een getrouw God, die het verbond en de barmhartigheid houdt aan degenen, die Hem liefhebben en zijne geboden onderhouden, tot in duizend geslachten;” (Deuteronomium 7:9 NLB)

“en Hij voerde ons uit Egypte met een machtige hand en een uitgestrekten arm, en met ene grote verschrikking door tekenen en wonderen,” (Deuteronomium 26:8 NLB)

“die grote beproevingen, die uwe ogen gezien hebben, die tekenen en die grote wonderen.” (Deuteronomium 29:3 NLB)

“Gelukkig zijt gij, o Israël; wie is u gelijk, o volk, gij, die zalig wordt door den Heer, die het schild uwer hulp en het zwaard uwer overwinning is. Uwen vijanden zal het mislukken, maar gij zult op hunne hoogten treden.” (Deuteronomium 33:29 NLB)

“en in al die machtige hand en in al die grote verschrikkingen, die Mozes gedaan heeft voor de ogen van geheel Israël.” (Deuteronomium 34:12 NLB)

“Maar Ik zal mijne hand uitstrekken en Egypte slaan met allerlei wonderen, welke Ik in deszelfs midden doen zal; daarna zal hij u laten trekken.” (Exodus 3:20 NLB)

“Maar Ik zal Farao’s hart verharden, opdat Ik vele mijner tekenen en wonderen doe in Egypteland.” (Exodus 7:3 NLB)

“Wanneer Farao tot u zal zeggen: Toont uwe wonderen, zo zult gij tot Aäron zeggen: Neem uwen staf en werp hem neder voor Farao, en hij zal ene slang worden.” (Exodus 7:9 NLB)

“19 En de Heer sprak tot Mozes: Zeg tot Aäron: Neem uwen staf en strek uwe hand uit over de wateren in Egypte, over hunne beken en stromen en zeeën en over al hunne waterpoelen, dat zij bloed worden; en er zij bloed in geheel Egypteland, beide in houten en stenen vaten. 20 En Mozes en Aäron deden alzó, gelijk de Heer hun geboden had, en hij hief den staf op en sloeg in het water, dat in den stroom was, voor Farao en zijne dienaren. En al het water in den stroom werd in bloed veranderd, 21 en de vissen in den stroom stierven, en de stroom werd stinkend, zodat de Egyptenaars het water uit den stroom niet konden drinken; en er werd bloed in geheel Egypteland.” (Exodus 7:19-21 NLB)

“2 Zeg dan nu voor de oren des volks, dat ieder man van zijnen naaste en elke vrouw van hare naaste zilveren en gouden vaten eise. 3 En de Heer gaf aan het volk genade in de ogen der Egyptenaren; en Mozes was een zeer groot man in Egypteland bij de dienaren van Farao en bij het volk. 4  En Mozes sprak: Dus zegt de Heer: Ik wil te middernacht uitgaan in Egypteland;” (Exodus 11:2-4 NLB)

“De Heer nu sprak tot Mozes: Farao hoort naar u niet, opdat vele mijner wonderen geschieden in Egypteland.” (Exodus 11:9 NLB)

“En de Heer sprak tot Mozes: Hoelang lastert dit volk Mij, en hoelang zullen zij niet aan Mij geloven, bij al de tekenen, welke Ik onder hen gedaan heb?” (Numeri 14:11 NLB)

“Ik stond te dier tijd tussen den Heer en u, om u het woord des Heren bekend te maken, toen gij voor het vuur vreesdet en niet op den berg gingt. En Hij sprak:” (Deuteronomium 5:5 NLB)

“Want wie is er van alle vlees, die zou kunnen horen de stem des levenden Gods, sprekende uit het vuur, gelijk wij, en levend blijven?” (Deuteronomium 5:26 NLB)

“door grote beproevingen, die uwe ogen gezien hebben, en door tekenen en wonderen, door een machtige hand en een uitgestrekten arm, met welke de Heer, uw God, u uitgevoerd heeft; alzo zal de Heer, uw God, doen aan alle volken, voor welke gij vreest.” (Deuteronomium 7:19 NLB)

“die grote beproevingen, die uwe ogen gezien hebben, die tekenen en die grote wonderen.” (Deuteronomium 29:3 NLB)

“10 en Gij hebt tekenen en wonderen gedaan aan Farao en al zijne knechten en aan al het volk zijns lands; want Gij erkendet, dat zij trots tegen hen waren, en hebt U een naam gemaakt, zoals het heden nog is. 11 En Gij hebt de zee voor hen vaneen gescheurd, dat zij droog midden door de zee gingen, en hebt hunne vervolgers in de diepte geworpen, als stenen in machtige wateren.” (Nehemia 9:10-11 NLB)

“verliet Gij hen nochtans niet in de woestijn, naar uwe grote barmhartigheid: de wolkkolom week niet van hen bij dag om hen te voeren op den weg, noch de vuurkolom bij nacht om hun licht te geven op den weg, dien zij gaan moesten.” (Nehemia 9:19 NLB)

“De zuilen des hemels sidderen en ontzetten zich voor zijn schelden.” (Job 26:11 NLB)

“3 De stem des Heren gaat over de wateren, de God der ere dondert; de Heer is op de grote wateren. 4 De stem des Heren gaat met macht, de stem des Heren gaat heerlijk.” (Psalmen 29:3-4 NLB)

“Voor hunner vaderen oog deed Hij wonderen in Egypteland, in het veld van Zoan.” (Psalmen 78:12 NLB)

“toen Hij zijne tekenen gedaan had in Egypte, en zijne wonderen in het land Zoan;” (Psalmen 78:43 NLB)

“48 en hunne kudden met vurige stralen; 49 toen Hij Engelen des verderfs onder hen zond, in zijnen grimmigen toorn, en ze liet razen, woeden en leed doen: 50 toen Hij zijnen toorn liet voortgaan, en hunnen zielen van den dood niet verschoonde, en hun leven overgaf aan de pestilentie; 51 toen Hij alle eerstgeborenen in Egypte sloeg, de eerstelingen hunner kracht in de hutten van Cham, 52 en zijn volk liet uittrekken als schapen, en hen leidde als een kudde in de woestijn; 53 en Hij leidde hen veilig, dat zij niet vreesden, maar de zee bedekte hunne vijanden.” (Psalmen 78:48-53 NLB)

“die deden zijne tekenen onder hen, en zijne wonderen in het land van Cham.” (Psalmen 105:27 NLB)

“wonderen in het land van Cham, geduchte daden aan de Schelfzee.” (Psalmen 106:22 NLB)

“20 Gij, die in Egypteland tekenen en wonderen gedaan hebt tot op dezen dag, zo aan Israël als aan andere mensen, en U een naam hebt gemaakt gelijk het te dezen dage is, 21 en uw volk Israël uit Egypteland hebt gevoerd door tekenen en wonderen, door een machtige hand en door een uitgestrekten arm en door grote verschrikking,” (Jeremia 32:20-21 NLB)

“en men hoorde de vleugels der cherubs ruisen tot buiten het voorhof, als de stem des almachtigen Gods, wanneer Hij spreekt!” (Ezechiël 10:5 NLB)

“6 Maar Ik hief terzelfder tijd mijne hand op om hen te voeren uit Egypteland naar een land, hetwelk Ik voor hen uitgezocht had, dat van melk en honig vloeit, hetwelk het sieraad is van alle landen; 7 en Ik sprak tot hen: Ieder werpe de gruwelen voor zijne ogen weg en verontreinigt u niet aan de afgoden van Egypte, want Ik ben de Heer uw God. 8 Maar zij waren Mij ongehoorzaam en wilden Mij niet horen; niemand van hen wierp de gruwelen zijner ogen weg en zij verlieten de afgoden van Egypte niet. Toen dacht Ik mijne grimmigheid over hen uit te storten en al mijnen toorn over hen te laten gaan in het midden van Egypteland. 9 Maar Ik liet het om mijns naams wil, opdat hij niet ontheiligd werd in de ogen der volken, onder welke zij waren, voor wier ogen Ik mij aan hen bekend zou maken door hen uit te voeren uit Egypteland.” (Ezechiël 20:6-9 NLB)

“Deze leidde hen uit, en deed wonderen en tekenen in Egypte, in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren.” (Handelingen 7:36 NLB)

“want zijzelf verkondigen van u, wat ingang wij bij u gehad hebben, en hoe gij van de afgoden bekeerd zijt tot God, om de levende en ware God te dienen,” (1 Thessalonicen 1:9 NLB)

“Zo verootmoedigt u dan onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhoge op zijnen tijd.” (1 Petrus 5:6 NLB)

*

 

Voorgaande:

Zomertijd ideaal op met Bijbellezing aan te vangen #1Bestseller aller tijden

Zomertijd ideaal op met Bijbellezing aan te vangen #2 Blijvende waardevolle schat

Bijbel, Gods Woord ingegeven nuttig tot lering, tot bestraffing, tot verbetering en tot onderwijzing

Other versions:

Written by inspiration of God for our admonition, to whom it shall be imputed if they believe

Les épreuves, signes et prodiges de Dieu

Versuchungen, Zeichen, Wunder, Streit und eine mächtige Hand

English: Neem, Margosa, Neeb, Nimtree, Nimba, ...

Wonderen in de natuur – Wonders in nature – English: Neem, Margosa, Neeb, Nimtree, Nimba, Vepu, Vempu, Vepa, Bevu, Veppam, Aarya Veppu or Indian-lilac Azadirachta indica in Hyderabad, India. (Photo credit: Wikipedia)

++

Vindt ook:

  1. God die Zijn stem laat horen en Zijn wonderwerken laat zien
  2. Elohim, Mar-Yah laat Zijn wonderwerken zien
  3. Opgetekend in je hoofd wat is neergetekend
  4. Vom Himel hat er dich seine stimme hören lassen
  5. Etre témoin de ces choses, afin que tu connusses que c’est l’Eternel qui est Dieu
  6. Elohim, Mar-Yah showing His wonders
  7. No other god besides Jehovah who gives all explanation
  8. To know God by wonders

+++

6 Comments

Filed under Aanhalingen uit Heilige Geschriften, Geestelijke aangelegenheden, Nederlandse teksten - Dutch writings

De Almachtige God der goden, groter dan en hoog verheven boven alle goden

 

 

“In den beginne schiep God de hemel en de aarde.” (Genesis 1:1 NBG51)

“Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de HERE aan Abram en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk;” (Genesis 17:1 NBG51)

“2 Voorts sprak God tot Mozes en zeide tot hem: Ik ben de HERE. 3 Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God de Almachtige, maar met mijn naam HERE ben Ik hun niet bekend geweest.” (Exodus 6:2-3 NBG51)

“Wie is als Gij, onder de goden, HERE, wie is als Gij, heerlijk in heiligheid vreselijk in roemrijke daden, wonderbaar in uw doen?” (Exodus 15:11 NBG51)

“Nu weet ik, dat de HERE groter is dan alle goden; want Hij heeft het volk uit de macht der Egyptenaren gered, omdat dezen overmoedig tegen hen waren opgetreden. {} {} {}” (Exodus 18:11 NBG51)

“Hij zeide: Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven.” (Exodus 33:20 NBG51)

“4  Hoor, Israel: de HERE is onze God; de HERE is een! 5 Gij zult de HERE, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. 6 Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, {} 7 gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat. 8 Gij zult het ook tot een teken op uw hand binden en het zal u een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn, 9 en gij zult ze schrijven op de deurposten van uw huis en aan uw poorten.” (Deuteronomium 6:4-9 NBG51)

“want ik zal de naam des HEREN uitroepen; geeft grootheid onze God,” (Deuteronomium 32:3 NBG51)

“Van U, o HERE, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o HERE, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven.” (1 Kronieken 29:11 NBG51)

“Het huis, dat ik ga bouwen, zal groot zijn, want onze God is groter dan alle goden.” (2 Kronieken 2:5 NBG51)

“Zie, God is groot, en wij begrijpen Hem niet, het getal zijner jaren is onnaspeurlijk.” (Job 36:26 NBG51)

“Laat af en weet, dat Ik God ben; Ik ben verheven onder de volken, verheven op de aarde.” (Psalmen 46:10 NBG51)

“Een lied. Een psalm van de Korachieten. (48-2) Groot is de HERE en hoog te loven in de stad van onze God zijn heilige berg.” (Psalmen 48:1 NBG51)

“Ja, uw gerechtigheid, o God, reikt tot den hoge, Gij, die grote dingen volbracht hebt; o God, wie is U gelijk?” (Psalmen 71:19 NBG51)

“Geloofd zij de HERE God, de God van Israel, die alleen wonderen doet.” (Psalmen 72:18 NBG51)

“opdat zij weten, dat alleen uw naam is: HERE, de allerhoogste over de ganse aarde. {}” (Psalmen 83:18 NBG51)

“Onder de goden is niemand U gelijk, o Here, en niets is als uw werken.” (Psalmen 86:8 NBG51)

“want wie in de hemel kan de HERE evenaren, wie onder de goden is de HERE gelijk?” (Psalmen 89:6 NBG51)

“Hoe groot zijn uw werken, o HERE; zeer diep zijn uw gedachten.” (Psalmen 92:5 NBG51)

“3 Want de HERE is een groot God, een groot Koning, boven alle goden, 4 in wiens hand de diepten der aarde zijn, en wiens de toppen der bergen zijn; 5 wiens de zee is, daar Hij ze heeft gemaakt, ook het droge, dat zijn handen hebben geformeerd. 6 Treedt toe, laten wij ons nederwerpen en ons buigen, knielen voor de HERE, onze Maker; 7  want Hij is onze God, en wij zijn het volk dat Hij weidt, de schapen zijner hand. Och, of gij heden naar zijn stem hoordet! 8 Verhardt uw hart niet, gelijk bij Meriba, gelijk ten dage van Massa, in de woestijn, 9 toen uw vaderen Mij verzochten, Mij op de proef stelden, ofschoon zij mijn werk hadden gezien.” (Psalmen 95:3-9 NBG51)

“Want Gij, HERE, zijt de Allerhoogste over de ganse aarde, Gij zijt zeer hoog verheven boven alle goden.” (Psalmen 97:9 NBG51)

“Hij heeft aan zijn volk verlossing gezonden, Hij heeft zijn verbond voor eeuwig verordend; heilig en geducht is zijn naam.” (Psalmen 111:9 NBG51)

“Ja, ik weet, dat de HERE groot is, dat onze Here boven alle goden is.” (Psalmen 135:5 NBG51)

“De HERE is groot en zeer te prijzen, zijn grootheid is ondoorgrondelijk.” (Psalmen 145:3 NBG51)

“Maar de HERE der heerscharen wordt verhoogd door recht en de heilige God wordt geheiligd door gerechtigheid.” (Jesaja 5:16 NBG51)

“En de een riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol.” (Jesaja 6:3 NBG51)

“De HERE der heerscharen, Hem zult gij heilig achten en Hij moet het voorwerp van uw vrees en Hij moet het voorwerp van uw schrik zijn.” (Jesaja 8:13 NBG51)

“Met wie dan wilt gij God vergelijken en welke vergelijking op Hem toepassen?” (Jesaja 40:18 NBG51)

“Ik, Ik ben de HERE, en buiten Mij is er geen Verlosser.” (Jesaja 43:11 NBG51)

“Weest niet verschrikt en vreest niet. Heb Ik het u niet van oudsher doen horen en verkondigd? Gij zijt mijn getuigen: is er een God buiten Mij? Er is geen andere Rots, Ik ken er geen.” (Jesaja 44:8 NBG51)

“Want zo zegt de Hoge en Verhevene, die in eeuwigheid troont en wiens naam de Heilige is: In den hoge en in het heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en nederige van geest, om de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden te doen opleven. {}” (Jesaja 57:15 NBG51)

“Wie zou U niet vrezen, o Koning der volkeren? Want U komt het toe, want onder al de wijzen der volken en onder al hun koningen is niemand U gelijk!” (Jeremia 10:7 NBG51)

“Als in een liefelijke reuk zal Ik behagen in u hebben, wanneer Ik u voer uit het midden der volken. Dan zal Ik u uit de landen waarin gij verstrooid zijt, bijeenbrengen en Mij aan u de Heilige betonen ten aanschouwen van de volken.” (Ezechiël 20:41 NBG51)

“Ik zal mijn grote naam die onder de volken ontheiligd is, die gij te midden van hen ontheiligd hebt, heiligen; en de volken zullen weten, dat Ik de HERE ben, luidt het woord van de Here HERE, wanneer Ik Mij voor hun ogen aan u de Heilige zal betonen.” (Ezechiël 36:23 NBG51)

“Ik zal Mij groot en heilig betonen en Mij doen kennen ten aanschouwen van vele volken; en zij zullen weten, dat Ik de HERE ben.” (Ezechiël 38:23 NBG51)

“De koning gaf Daniel ten antwoord: In waarheid, uw God is de God der goden en de Heer der koningen, en Hij openbaart verborgenheden: daarom hebt gij deze verborgenheid kunnen openbaren. {}” (Daniël 2:47 NBG51)

“En het zal geschieden, dat ieder die de naam des HEREN aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HERE gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de HERE zal roepen.” (Joël 2:32 NBG51)

“Maar dan zal Ik de volken andere, reine lippen geven, opdat zij allen de naam des HEREN aanroepen; opdat zij Hem dienen met eenparige schouder.” (Sefanja 3:9 NBG51)

“Bidt gij dan aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd;” (Mattheüs 6:9 NBG51)

“En Jezus zeide tot hem: Waarom noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.” (Markus 10:18 NBG51)

“omdat grote dingen aan mij gedaan heeft de Machtige. En heilig is zijn naam,” (Lukas 1:49 NBG51)

“God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid.” (Johannes 4:24 NBG51)

“1  Dit sprak Jezus en Hij hief zijn ogen ten hemel en zeide: Vader de ure is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke, {} 2 gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken. 3 Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.” (Johannes 17:1-3 NBG51)

“Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben uw woord bewaard.” (Johannes 17:6 NBG51)

“25 Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en dezen weten, dat Gij Mij gezonden hebt; 26 en Ik heb hun uw naam bekend gemaakt en Ik zal hem bekend maken, opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij en Ik in hen.” (Johannes 17:25-26 NBG51)

“En het zal zijn, dat al wie de naam des Heren aanroept, behouden zal worden.” (Handelingen 2:21 NBG51)

“Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben. {} {}” (Romeinen 1:20 NBG51)

“want: al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden.” (Romeinen 10:13 NBG51)

“O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen!” (Romeinen 11:33 NBG51)

“4  Wat nu het eten van offervlees betreft, wij weten, dat er geen afgod in de wereld bestaat en dat er geen God is dan Een. {} 5 Want al zijn er zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde (en werkelijk zijn er goden in menigte en heren in menigte) 6 voor ons nochtans is er maar een God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn, en een Here, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn, en wij door Hem.” (1 Corinthiërs 8:4-6 NBG51)

“in overeenstemming met het evangelie der heerlijkheid van de zalige God, dat mij is toevertrouwd.” (1 Timotheüs 1:11 NBG51)

“Want er is een God en ook een middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus,” (1 Timotheüs 2:5 NBG51)

“Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen;” (Hebreeën 9:24 NBG51)

“En wij hebben de liefde onderkend en geloofd, die God jegens ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem.” (1 Johannes 4:16 NBG51)

“En de vier dieren hadden elk voor zich zes vleugels en waren rondom en van binnen vol ogen en zij hadden dag noch nacht rust, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Here God, de Almachtige, die was en die is en die komt.” (Openbaring 4:8 NBG51)

“zeggende: Wij danken U, Here God, Almachtige, die is en die was, dat Gij uw grote macht hebt opgenomen en het koningschap hebt aanvaard; {} {}” (Openbaring 11:17 NBG51)

“En ik hoorde het altaar zeggen: Ja, Here God, Almachtige, uw oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig. {} {}” (Openbaring 16:7 NBG51)

*

 

+

Voorgaande:

Bijbel, Gods Woord ingegeven nuttig tot lering, tot bestraffing, tot verbetering en tot onderwijzing

Volgende:

Der Allmächtige Gott der Götter, größer und mächtiger als alle Götter

Dieu Puissant, Dieu unique des dieux plus grand que tous les dieux

Almighty God above all other gods greater than all gods

++

Vindt ook:

  1. El Shaddai Die verscheen voor Abraham
  2. God die Almachtige Geest die geen mens kan zien
  3. El Shaddai Jehova der Abraham erschienen
God's Name on the Scrolls - Gods Naam op de Schriftrollen

God’s Name on the Scrolls – Gods Naam op de Schriftrollen

+++

12 Comments

Filed under Aanhalingen uit Heilige Geschriften, Geestelijke aangelegenheden, Religieuze aangelegenheden