Tag Archives: Boek Exodus

Wonderen van de Schepping: De sprinkhaan

De sprinkhaan behoort tot een van de groepen springende insecten (suborde Caelifera), onderorde van insecten die tot de orde Orthoptera (rechtvleugeligen) oftewel krekels en sprinkhanen.
Ze worden aangetroffen in een verscheidenheid van habitats maar komen in de grootste aantallen voor in tropische laaglandbossen, semi-aride gebieden en graslanden. Ze variëren in kleur van groen tot olijfkleurig of bruin en kunnen gele of rode aftekeningen hebben.
Sommige sprinkhanen zijn aangepast aan gespecialiseerde habitats. De Zuid-Amerikaanse sprinkhanen van de Pauliniidae brengen het grootste deel van hun leven door op drijvende vegetatie en zwemmen actief en leggen eitjes op onder water gelegen waterplanten.
Sprinkhanen zijn over het algemeen groot, sommige meer dan 11 cm (4 inches) in lengte (bv. Tropidacris van Zuid-Amerika).Tot de korthoornsprinkhanen (familie Acrididae, vroeger Locustidae) behoren zowel de onschuldige, niet-migrerende soorten als de vaak destructieve, zwermende, migrerende soorten die als sprinkhanen bekend staan. De weidesprinkhaan en de kegelsprinkhaan zijn andere voorbeelden van leden van de Acrididae.
Marcus Ampe
*

 

 

“1  Toen sprak Jahwe tot Mozes: ‘Ga naar Farao, want hem en zijn hovelingen maak Ik onwillig om mijn tekenen voor hen te kunnen verrichten. 2 Dan kunt gij later aan uw kinderen en kleinkinderen verhalen hoe Ik tegen de Egyptenaren ben opgetreden en welke tekenen Ik daar verricht heb. Zo zult gij weten dat Ik Jahwe ben.’ 3 Mozes en Aaron begaven zich naar Farao en zeiden tot hem: ‘Zo spreekt Jahwe, de God der Hebreeen: Hoe lang nog blijft gij weigeren u voor Mij te buigen? Laat mijn volk om Mij te vereren. 4 Als ge weigert mijn volk te laten gaan, zal Ik morgen over uw grondgebied sprinkhanen laten omen. 5 Ze zullen de oppervlakte van het land zo dicht bedekken dat er geen land meer te zien is. Wat de hagel u heeft overgelaten, zullen zij verslinden; alle bomen buiten op het land zullen ze kaalvreten. 6 Uw huizen, de huizen van al uw hovelingen en de huizen van heel Egypte zullen er vol van zijn. Uw vaders en uw verre voorvaderen hebben, zolang zij in het land wonen, nog nooit zo iets gezien, tot op heden toe.’ Mozes keerde zich om en ging van Farao weg. 7 Nu zeiden de hovelingen van Farao tot hem: ‘Hoe lang moet die man nu nog een struikelblok voor ons zijn? Laat die mensen toch gaan om Jahwe hun God te vereren. Of wilt u Egypte helemaal ten onder zien gaan?’ 8 Hierop werden Mozes en Aaron opnieuw bij Farao ontboden en deze sprak tot hen: ‘U kunt vertrekken en Jahwe uw God gaan vereren. Maar wie gaan er mee?’ 9 Mozes antwoordde: ‘Wij gaan met onze kinderen en grijsaards, met onze zonen en dochters, met ons kleinvee en onze runderen. Want wij vieren een pelgrimsfeest ter ere van Jahwe.’ 10 Maar Farao antwoordde: ‘Moge Jahwe dan evenzeer met u zijn als ik bereid ben u met uw kinderen te laten vertrekken! Wees gewaarschuwd, u gaat uw ondergang tegemoet. 11 Er komt niets van in! Alleen de mannen mogen Jahwe gaan vereren. Daar is het u toch om begonnen.’ Daarop werden ze uit Farao’s tegenwoordigheid verwijderd. 12 ¶ En Jahwe sprak tot Mozes: ‘Strek uw hand uit over Egypte, dan zullen de sprinkhanen er op neerstrijken. Alle veldgewassen, alles wat de hagel heeft overgelaten, zullen zij verslinden.’ 13 Mozes strekte zijn staf uit over Egypte en Jahwe liet een oostenwind over het land waaien, heel die dag en heel die nacht. Toen de morgen aanbrak had de oostenwind sprinkhanen aangevoerd. 14 Overal in Egypte streken zij neer. Zoveel sprinkhanen waren er nooit geweest en zullen er nooit meer komen. 15 Ze bedekten heel de oppervlakte, zodat het land er zwart van zag. Ze vraten alle veldgewassen op en alle boomvruchten die de hagel had overgelaten. Aan bomen of veldgewas bleef in heel Egypte geen groen meer over. 16 Haastig liet Farao Mozes en Aaron ontbieden en sprak: ‘Ik heb gezondigd tegen Jahwe uw God en tegen u. 17 Ik smeek u, vergeef mij ook deze keer mijn zonde; bid voor mij tot Jahwe uw God, dat Hij deze vreselijke plaag van mij wegneemt.’ 18 Mozes ging van Farao weg en bad smekend tot Jahwe. 19 Toen liet Jahwe een krachtige zeewind waaien; deze voerde de sprinkhanen mee en dreef ze de Rietzee in. In heel het grondgebied van Egypte bleef niet een sprinkhaan over. 20 Maar Jahwe maakte Farao halsstarrig: Hij liet de Israelieten niet gaan.” (Ex 10:1-20 WV78)

“31 Het vlas en de gerst waren verhageld, want de gerst stond al in de aar en het vlas bloeide. 32 De tarwe en de spelt waren niet verhageld, want die zijn later in het seizoen. -” (Ex 9:31-32 WV78)

“de sprinkhanen hebben geen koning, maar zij trekken als geordende scharen op;” (Spr 30:27 WV78)

“1 HET WOORD van Jahwe, dat gericht is tot Joel, de zoon van Petuel. 2 Hoort toe, gij ouderlingen, luistert allen, gij bewoners van het land! Is iets dergelijks ooit gebeurd in uw dagen of in de dagen van uw vaderen? 3 Vertelt het aan uw zonen en laat uw zonen het vertellen aan hun zonen en die weer aan het volgende geslacht. 4 Wat de knager overliet, dat vrat de sprinkhaan; wat de sprinkhaan overliet, dat vrat de verslinder; wat de verslinder overliet, dat vrat de kaalvreter. 5 Wordt wakker, gij dronkaards, en weent; jammert allen, gij wijndrinkers, want het druivenat gaat uw mond voorbij. 6 Een volk is opgetrokken tegen mijn land, een machtig volk, niet te tellen. Het heeft de tanden van een leeuw, de kaken van een leeuwin; 7 het heeft mijn wingerd vernield en van mijn vijgeboom dood hout gemaakt; het heeft hem ontschorst en weggegooid; verbleekt zijn de ranken.” (Joe 1:1-7 WV78)

*

 

 

Treksprinkhanen, hier Locusta migratoria, zijn typische vertegenwoordigers.

Voorbeelden uit de natuurwereld van Gods’ grote wijsheid

Sprinkhanenplaag in Marokko, november 2004

Voor boeren in de landen grenzend aan de Middellandse Zee, is het ergste dat hen kan overkomen – op een langdurige droogte na – een sprinkhanenplaag. De
sprinkhanen daar zijn verwant aan die in ons land. Het zijn insecten, die in zulke enorme aantallen optrekken, en met zo’n precisie te werk gaan, dat zij alles wat zij op hun pad tegenkomen en dat groen is, volledig kaalvreten.
Wanneer wij in het boek Exodus lezen over de achtste plaag die God over
Egypte bracht, beseffen wij wat voor catastrofe dat moet zijn geweest
(Exodus 10: 1-20). De vroege gewassen, het vlas en de gerst, waren al
door de hagel neergeslagen; nu waren de tarwe en de spelt aan de beurt
(Exodus 9:31-32). Omdat de Farao steeds weigerde naar God te luisteren, voerde Hij met een oostenwind een zwerm sprinkhanen aan, groter dan Egypte ooit had gezien. Nadat zij al het overige gewas kaalgevreten hadden, voerde God hen weer weg met een westenwind.

Sprinkhanen werden dus door God gebruikt om mensen te straffen, onder meer de
Israëlieten toen zij Hem de rug toekeerden (Deuteronomium 28:38,42).

“De sprinkhanen – een koning hebben zij niet, maar ze rukken in slagorde op” (Spreuken 30:27)

zei Salomo. De profeet Joël voorspelde zo’n sprinkhanenplaag, zowel letterlijk als figuurlijk, als een sterke invallende
macht (Joël 1:1-7). In vers 4 worden vier verschillende woorden voor de sprinkhanen gebruikt; de NBG ’51 vertaalt ze als “knager”, “sprinkhaan”, “verslinder”, en “kaalvreter”. Wij weten niet wanneer Joël profeteerde, maar het feit dat de bazuin op Sion geblazen moest worden (Joël 2:1), betekent dat een aanval op Juda ophanden was. Dit zou wellicht de aanval van de Assyrische koning Sanherib in de dagen van koning Hizkia geweest kunnen zijn. Interessant is dat er in 2 Koningen 15 t/m 18 over vier invallen van Assur wordt geschreven, drie op het noordelijke rijk en één op Juda.

In Arabische landen gebruikt men nog steeds sprinkhanen als voedsel.
Dus is het niet zo vreemd dat Johannes de Doper, toen hij in de woestijn was, leefde van deze insecten en wilde honing (Matteüs 3:4). En de wet van Mozes stond hem dat toe (Leviticus 11:22).

CT

+

Voorgaand

Wonderen van de Schepping: De klipdas

Leave a comment

Filed under Ecologische aangelegenheden, Natuur, Nederlandse teksten - Dutch writings, Religieuze aangelegenheden

Na vallen weer opstaan om je ultieme levensdoel weer op te nemen

De nieuwe filosoof van Oudenburg op zijn blog “Denken over waarden voor een betere wereld aan de hand van oude en nieuwe zinvolle geschriften” schreef in december 2010:

Na het vallen kan je weer opstaan en je ultieme levensdoel weer opnemen. Zelfs uit de slavernij van het bezit, eten, roesmiddelen, drank, drugs, lust en luiheid kan God je verlossen. gebonden door verslaving.jpgOok de verblindende woede en afgunst, die je helemaal opslorpen kan Hij ontrekken aan je.

Het zit in je, ontdek het! God wil ook jou, net als de Israëlieten, graag bevrijden van alle slavernij, verslavingen, knechting, onderwerping ­ook van de slavernij van de zonde – het jammer zijn -, het gebrek aan oriëntatie naar je levensopdracht. Net als de Israëlieten, kom jij ook vaak in de verleiding terug te kijken, verlangend naar het genot van de zonde, terwijl je daarbij vergeet hoe ellendig je leven was, hoe je bergaf ging, toen je nog leefde als verslaafde aan de zonde.

Laat het boek Exodus je herinneren aan je bevrijding. Na vallen is opstaan mogelijk hoewel soms enorm moeilijk en wees niet hardleers, eigenzinnig, halsstarrig of kortzichtig. Dit is een van de lessen uit Exodus. Het is je gegeven om beter te worden. Kijk naar de toekomst en blijf niet hangen in het verleden. {Exodus [uittocht] Inleiding Exodus vervolg}

 

 

Leave a comment

Filed under Aanhalingen of Citaten, Bezinningsteksten, Levensstijl, Nederlandse teksten - Dutch writings, Voelen en Welzijn

Wonderen van de Schepping: De acacia

Voorbeelden uit de natuurwereld van Gods’ grote wijsheid: De acacia

Acacia, (geslacht Acacia), geslacht van ongeveer 160 soorten bomen en struiken in de erwtenfamilie (Fabaceae). Acacia’s komen oorspronkelijk uit tropische en subtropische regio’s van de wereld, met name Australië (waar ze lellen worden genoemd) en Afrika, waar ze bekende herkenningspunten zijn op het veld en de savanne.

acacia tree

Acaciaboom (Acaciasoort) op een savanne in Zimbabwe. Foto: © EcoView / Fotolia

Bomen komen niet veelvuldig voor in de woestijn, maar in de Sinaï is de acaciaboom een bekend verschijnsel; het is zelfs de meest voorkomende boom in dat gebied. De acacia behoort tot een van de talrijkste bomenfamilies ter wereld en groeit tot in Australië toe. En wie kent ook niet de beelden van Afrikaanse savanna’s met hun paraplu-vormige acacia’s, als karakteristiek element in het landschap?

Model van de tabernakel in de Timnavallei in Israël[

File:MountSinaiView.jpg

Foto vanaf de top van de Sinaïberg

De Ark van het Verbond, gemaakt tijdens de uittocht uit Egypte op de berg Sinaï, wordt hier in de tempel van Salomo te Jeruzalem gedragen.

Wanneer wij dan in het boek Exodus lezen dat de tabernakel grotendeels uit acaciahout gemaakt moest worden, is dat te begrijpen.
De Israëlieten legerden zich toen aan de voet van de berg Sinaï, en God riep hen op acaciahout te brengen, wat zij deden (Ex. 25:5; 35:24).
De door God aangestelde vaklieden, Besaleël en Oholiab, hebben daarmee de ark van het Verbond, de tafel voor de toonbroden, het reukofferaltaar en het brandofferaltaar, alle met hun draagstokken, gemaakt (Ex. 25-27:30).

Het hout moest duurzaam maar niet te zwaar zijn. Daarom denkt men dat de wanden van de tabernakel niet van massieve planken werden gemaakt, zoals in de NBV staat, maar van een soort raamwerk, waar slanke staanders door dwarslatten met elkaar verbonden werden. Het Hebreeuwse woord in Exodus 26:15 qeresh is anders dan b.v. in Exodus 27:8, waar het woord luach iets massiefs beschrijft. De tabernakel was de ontmoetingsplaats tussen God en Zijn volk. Van tussen de cherubs op het verzoendeksel van de ark sprak Hij met Mozes (Ex. 25:21-22). Het woord tabernakel betekent tent of woonplaats en in de tabernakel zou God onder Zijn volk wonen.

In de proloog van zijn evangelie schreef Johannes:

“Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond (lett.getabernakeld)” – Joh. 1:14.

God heeft met ons gesproken door Zijn Zoon, zodat wij met hem verzoend mogen worden. Een tweede beeld van Jezus zien wij in de acaciaboom zelf, want Jesaja schreef over hem:

“Als een loot schoot Hij op onder Gods ogen, als een wortel die uitloopt in dorre grond” (Jes. 53:2).

Jezus groeide op als een levende, en levengevende, boom in een geestelijke woestenij. Doordat hij diep geworteld was in Gods Woord, kon hij de hitte van vijandschap en nijd weerstaan. De schaduwrijke acacia is dus een passend symbool van onze Verlosser.

C..T

Acacia penninervis

Acacia penninervis

+

Voorgaande

Wonderen van de schepping: Mammoetboom of reuzensequoia

1 Comment

Filed under Natuur, Nederlandse teksten - Dutch writings, Religieuze aangelegenheden